De Naam van de Roos

De eerste dag: Onderweg en aankomst in de abdij

Eerste scène: Bij Sint Antonius

We schrijven 1327. William en Adson zijn op doortocht en maken voor de eerste keer kennis met de koorgroep die aan de bushalte van Sint-Antonius aangekomen is, en daar reeds heeft gepicknickt.

Onderweg

Adson: Meester William, we zijn nu al zo lang onderweg. Ik voel mijn benen niet meer. Kunnen we geen plaats zoeken om te rusten?
William: Natuurlijk gaan we een plaats zoeken om te rusten. Alleen, we zijn nog niets geschikts tegengekomen.
Adson: Maar Meester, we zijn daarnet nog aan een herberg gepasseerd. Waarom hebben we daar geen halt gehouden?
William: Omdat we Franciscanen zijn, Adson, en omdat Franciscus van Asisië ons geleerd heeft in armoede te leven en pracht en praal links te laten liggen. Die herberg was een oord van verderf en vertier, Adson.
Adson: Maar Meester, we gaan toch niet opnieuw onder de blote hemel slapen? Franciscus was nu wel een man van de natuur, maar we moeten toch ook niet overdrijven.
William: Wacht Adson, misschien weten deze jonge reizigers wel raad… Gegroet reizigers. Wij zijn op doorreis, en hebben reeds een lange tocht achter de rug. Wij zijn op zoek naar een plaats om te rusten. Waarheen gaat jullie reis?
(De enthousiaste koorleden roepen in koor: “Westmalle! Westmalle!”)
William: Westmalle… Westmalle… Adson, daar bevindt zich een befaamde abdij. Meer nog… Westmalle is het epicentrum van de Westerse literatuur. Hun bibliotheek staat bekend als de grootste van de beschaafde wereld. Van heind en verre komen intellectuelen op de bibliotheek af, om hun kennis te verruimen. Waarschijnlijk kunnen we daar wel een plaats vinden om te verpozen. En ik kan misschien van de gelegenheid gebruik maken om mijn neus eens tussen de boeken te steken.
Adson: Westmalle? Is dat nog ver van hier, Meester? Mijn voeten zijn gezwollen in mijn sandalen, en bovendien rammel ik van de honger.
William: Ver kan het niet meer zijn… We bevinden ons in Sint-Antonius, dus zullen we de weg zeker wel vinden.
Adson: En waarom dan wel, Meester?
William: Wel, weet je dat dan niet, Adson… Sint-Antonius is de patroonsheilige van de verloren voorwerpen. En wij zijn de weg verloren. Met zijn hulp kan het niet verkeerd gaan. Weet je wat? We gaan dezelfde richting uit als die jongeren.
Adson: In welke richting trekken jullie, reizigers?

(Een van de tochtverantwoordelijken wijst de weg. Adson en William gaan op weg)

William: Dáag reizigers. Bedankt voor jullie hulp, en veel geluk op jullie verdere tochten. Moge de Heer jullie behoeden voor onheil en rampspoed, en jullie een gewijde reis bezorgen. God zij met u!

Tweede scène: Onheil! Onheil!

Onderweg voor de abdij van Westmalle, predikt Ubertino Da Casale onheilspellende woorden en waarschuwt hij onze koorleden voor het gevaar waarin ze zich dreigen te storten.

Ubertino Da Casale

Ubertino: (komt uit de bosjes gestormd en roept) Onheil! Onheil! Reizigers! Vade retro! Vade retro! Stop en ga niet verder! Zowaar ik Ubertino da Casale heet, verlaat deze plaats onmiddellijk. De Duivel waart hier rond. Er gebeuren hier rare dingen, en het Beest bevindt zich nog steeds tussen die muren (hij wijst naar de abdij). Ga terug van waar je komt, of ook jullie zullen deel worden van het onheil.
Daarnet zijn twee van mijn medebroeders – eveneens Franciscanen – voorbijgekomen. Ook hen heb ik gewaarschuwd voor het rondwarende kwaad. Zij wilden echter niet luisteren, en zullen de gevolgen dan ook moeten dragen. William van Baskerville kennende, zal hij deze zaak tot op de bodem willen uitspitten. Hij heeft een neus voor mysterie. Voor zijn jonge, mooie leerling Adson van Melk, is deze plek zelfs extra gevaarlijk: de Duivel heeft het gemunt op mooie kinderen. Daarom ook mogen jullie zeker geen stap verder zetten.
Ik veronderstel dat jullie op weg zijn naar domein ‘Triarbromontus’. Jullie zullen een grote omweg moeten maken. Alles wat jullie hier in de omtrek zien, is namelijk eigendom van de rijke en welvarende orde van de Benedictijnen. Hier staan we voor de bottelarij, waar het gerstenat op flessen getrokken wordt, maar de abdij zelf en de vermaarde bibliotheek bevinden zich verderop.

(De leiders slaan de goede raad in de wind, omdat ze geen tijd hebben voor een omweg. Ze gaan op pad.)

Ubertino: Stommelingen! Jullie lopen met jullie ogen open in jullie ongeluk! De vorige groep heeft mijn raad ook in de wind geslagen!

Derde scène: De gasten worden ontvangen

De koorleden komen per groep bij het domein Triarbromontus aan. De abt Abonne, vergezeld door de cellarius Remigio, laat de reizigers de handen wassen, het gastenboek tekenen, en leidt hen rond.

Aankomst
Abonne: Welkom in onze abdij. Mogen we jullie vragen het gastenboek te tekenen, en jullie handen te wassen in dit gewijde water, zodat jullie met een reine geest in een rein lichaam deze heilige domeinen kunnen betreden. In nome de patre, de filio, de sancto spiritu, amen.

Vierde scène: Een geheimzinnig gesprek

Net voor het avondmaal. Iedereen is geïnstalleerd, en William en Adson bereiken na veel omwegen de abdij.

Adson: Meester William… Ik weet niet wat u ervan denkt, maar uw Sint-Antonius heeft ons wel degelijk in de steek gelaten.
William: Wat bedoel je Adson? We hebben het toch gevonden?
Adson: Ja, maar wel na dertig omwegen. Kijk daar… de reizigers waaraan we de weg vroegen zijn er al.
William: Adson, mijn zoon… wat telt is niet hoe je er raakt, maar wel dat je er raakt!
Adson: Ik ben er toch niet gerust in, zeker niet na datgene wat Ubertino Da Casale daar bij de brouwerij allemaal brabbelde. Misschien is onze moeite om de ingang van de abdij te vinden wel een teken van God. Of erger zelfs, inderdaad een beproeving opgelegd door de Duivel.
William: Och Adson, Ubertino is een gerespecteerde wijze man, die onze Orde de Fransciscanen al grote diensten heeft bewezen. Maar sinds hij ouder is geworden, ziet onze leider overal spoken. Schenk er maar geen aandacht aan.

De abt Abonne staat aan de ingang, en laat zijn nieuwe gasten eveneens de handen wassen en het boek tekenen.

Abonne: (leest mee over Williams schouder in gastenboek) Welkom…. William…. van Baskerville…. Dé William van Baskerville?
William: Zo is mijn naam, ja.
Abonne: Ik heb al veel over u gehoord…
William: (knikje) Dit is Adson van Melk, de zoon van graaf van Melk. Zijn vader heeft mij zijn opvoeding toevertrouwd. Hij vergezelt mij op mijn reis als mijn leerling.

 (Adson geeft kus op ring)

Abonne: Namens de orde der Benedictijnen heet ik u en uw leerling welkom in onze abdij (kus-kus-kus). Eén van uw mede-franciscanen, Ubertino da Casale, bevindt zich momenteel ook in onze abdij.
William: Wij hebben hem reeds ontmoet aan de bottelarij, ja.
Abonne: U zult wel erg moe zijn na zo’n lange reis.
William: Niet echt, nee.
Adson: Toch wel, ja.
Abonne: Komt u met mij mee… ik leid u naar uw kamer.

(De abt Abonne loopt wat voor, en de groep begeeft zich naar de cel. William wijst Adson erop dat er een vers gegraven graf langs de weg ligt. De abt hoort dit niet.)

(Adson loopt een beetje ongemakkelijk)

William: Adson… om de natuur te beheersen moet je haar gehoorzamen. Keer dus terug … (wegbeschrijving) en daar vind je de plaats die je zoekt.
Adson: Maar Meester, hoe weet u hier zo snel het toilet zijn? U bent hier nog nooit geweest?
William: Toen we aankwamen, liep er een broeder gehaast heen. Terugkomend liep hij veel trager en zag hij er voldaan uit.
Adson: Dank u, Meester.

(Abonne merkt dat het tweetal achterblijft en keert wat terug op zijn stappen. Van de gelegenheid maakt hij gebruik om William onder vier ogen te spreken.)

Abonne: Uw leerling gaat de andere kant op?
William: De natuur heeft hem geroepen.
Abonne: Ach zo…
William (even stilte): Het spijt me dat één van uw broeders in de Heer ontslapen is.
Abonne (schrikt en kijkt als een koe naar een zieke trein): Ja, een zwaar verlies. Broeder Adelmo was een van onze beste schrijvers.
William (schrikt): Toch niet dé Adelmo? Adelmo van Otrente?
Abonne: U heeft hem gekend?
William: Nee, maar ik bewonderde zijn werk. Zijn boeken waren geestig om te lezen, je kon er wel eens mee lachen en ze waren steeds mooi versierd. Maar hij was toch nog jong?
Abonne: Ja inderdaad, heel jong.
William: Dan is het door een ongeval?
Abonne: Inderdaad, juist: een ongeval, ja. ’t Is te zeggen… (hij komt dichter en praat geheimzinnig) Broeder William, mag ik eens mijn hart luchten?
William: Ik heb de indruk dat u dat graag wilt, ja.
Abonne: Toen ik hoorde dat u onze nieuwe gast was, werden mijn gebeden verhoord. Ik dacht: dit is een slimme man die de Duivel kan bestrijden. Broeder Adelmo’s dood heeft een onrustige en angstige sfeer in de abdij veroorzaakt.

(Adson is terug. Abonne aarzelt.)

William: Ga alstublieft verder, hij mag het horen.
Abonne (aarzelend): We vonden zijn verminkte lichaam op een rots, onder een torenraam. Het raam was… – hoe zal ik het zeggen…
William: ’t Was gesloten?
Abonne: Juist! Hoe wist u dat? Heeft er iemand het gezegd?
William: Als ’t opengestaan had, dan zou u mij wel direct gezegd hebben dat hij gevallen was.
Abonne: Wat meer is: het raam kàn niet geopend worden, en het glas was niet gebroken. Hij kan dus niet van de toren gevallen zijn.
William: Er is dus geen verklaring voor zijn dood, dus u denkt dat de Duivel in het spel betrokken is?
Abonne: Ja, en daarom heb ik de raad van een intelligente broeder zoals u nodig. Bovendien mag uw onderzoek niet te veel opvallen. Het moet een beetje in het geheim gebeuren, anders worden de andere monniken wantrouwig. Als u het niet doet, zal ik de hulp van de Heilige Inquisitie moeten inroepen.
William: Ik zal er eens over denken.
Abonne: Dank u wel William. Daar is uw kamer; ik laat u nu nog even rusten. Vergeet niet dat wij, Benedictijnen straks samen het avondmaal nemen. Ik verwacht jullie dan ook over een kwart uur in de eetzaal.

(Abonne trapt het af)

Aankomst aan de abdij

Adson: Meester William? Wat is de inquisitie?
William: De inquisitie is een soort kerkelijke rechtbank, een soort politie van de Kerk, zeg maar… die nauwlettend toekijkt of iedereen op het juiste Goddelijke pad blijft en zich niet laat overhalen naar de zijde van het Kwade, de Duivel, Satan, of hoe je hem ook noemen wil. Broeders zoals wij leven volgens de leer van Jezus en de Bijbel, maar er zijn ook andere mensen – ketters – die zich daar totaal niet aan houden. Die mensen worden door de inquisitie opgespoord, en met vreselijke straffen en martelingen proberen ze hen te bekeren tot het enige en echte geloof.
Ik zou mij beter met de zaak bezig houden, want we moeten vermijden dat de inquisitie het doet; veel mensen zijn al onschuldig op de brandstapel gekomen, omdat ze de moeite niet doen om zaken grondig te onderzoeken. Ze zoeken altijd een zondebok om te veroordelen, zodat de gemoederen weer bedaard worden en gewone leven weer kan verdergaan.
Maar goed, je bent moe; laten we onze kamer opzoeken.

(Vendelformatie. Dieter laat de vendels in stilte naar binnen gaan. Abonne zit op het spreekgestoelte klaar. Adson en William komen binnen.)

Adson Meester, ik…
William Sssst, Adson. Bij de Benedictijnen is het de gewoonte dat de maaltijd in volledige stilte wordt gehouden. De abt leest de regels en gebeden voor.

Abonne (Kampregels, bijbeldingen en het gebed) Wij loven God almachtig dat er geen kwade geesten onder ons mogen zijn, noch van deze wereld, noch van een andere. We vragen God… (kamp danken, gasten, keukenploeg…), zonder schaduw van vrees. We danken Hem dat de komst van William van Baskerville, wiens ervaring ons hier ten dienste staat. Mogen rust en geestelijke vrede wederom in onze harten heersen. (Handgeklap en iedereen gaat zitten en de monniken doen hun kap af)

De tweede dag

Eerste scène: Het Scriptorium

In de schrijfzaal, het Scriptorium, krijgen William en Adson een rondleiding van Malachias, de bibliothecaris.

(Een aantal monniken zitten te schrijven, o.a. Venantius en figuranten. Elk hebben ze een tripel om te drinken, twee boeken voor zich en op de lessenaar en een missaal. Berenger loopt af en aan met stapels boeken en legt ze op orde. Venantius doet geheimzinnig. Er is 1 plaats open ter hoogte van de schrijfzaal, namelijk die van Adelmo)

Stilte

Adson: Meester, gisteren vertelde je mij dat Adelmo zo’n goed schrijver was. Ik zou wel eens een boek van hem willen lezen. Humoristische literatuur, zei u ?
William: Inderdaad, en niet te vergeten de geestige tekeningetjes of miniaturen. Laat ons eens naar de bibliotheek trekken en kijken wat er te zien is. Humoristische boeken, boeken waarin al eens gespot wordt met de Paus en de Kerkelijke Overheid zijn een zeldzaamheid tussen al de serieuze godsdienstige werken.

(Malachias komt uit het deurtje van de bibliotheek en sluit ze zorgvuldig af.)

William: Dag broeder-bibliothecaris.
Malachias: Malachias is de naam en welkom in het scriptorium of schrijfzaal. Jullie moeten de twee nieuwe gasten zijn die hier logeren, William en… Adson ? Wel, je bevindt je hier in de schrijfzaal van de abdij, waar de belangrijkste werken van de wereldliteratuur worden vertaald. Een heel minitieus werkje, waarbij elke bladzijde nauwkeurig moet worden gekopieerd door onze ijverigste monniken.

Het Scriptorium

Malachias: Kom, ik stel je er een aantal voor. (wijst naar Berenger)
Dit hier is mijn rechterhand, Berenger. Hij staat mij als hulpbibliothecaris bij in mijn drukke bezigheden. Hij zorgt voor de orde in het scriptorium en brengt materiaal aan waar nodig. Dit wil zeggen pen en papier,….
Berenger: inkt, verf, penselen, lijm, lederen kaften,… en af en toe ook een versterkingske, hahahah (wijst op de tripel, en schuddebuikt van het lachen).
Malachias: Kom, Berenger, je mag de monniken niet teveel opgieten, er dient hier verstandelijk werk te worden verricht. Of wil je dat het trekt op een handsvol zottigheid?
Berenger Maar de tripel stimuleert lichaam én geest. Sommigen zeggen dat je er vleugels van krijgt. Of was het nu van iets anders?
Malachias: Oh, je drinkt jezelf nog een ongeluk, Berenger, stop er maar mee voor de drank je volledig in z’n macht heeft.

(Malachias bereikt Venantius, terwijl hij nerveus een boek wegmoffelt.Hij doet alsof hij druk bezig is en door voorovergebogen te schrijven kan hij het boek verbergen.)

Malachias: Hier hebben we onze beste Griekse vertaler, Venantius. Vele boeken uit de oudheid zijn immers in het Grieks opgesteld. Opdat de kennis, beschreven in deze boeken, ook tot in onze Lage Landen zou kunnen doordringen, moeten deze vertaald worden. Dag in dag uit is Venantius bezig met het kopiëren van deze Griekse boeken. En Venantius, wat staat er vandaag op het programma ?
Venantius (zenuwachtig): Euh,… De allegorie van de grot van Plato, en straks een stukje Aristoteles, euh…, mijn specialiteit,…enneuh..Euripides,…kortom nog heel veel, dusseuh,… als u mij nu wil excuseren. Ik heb nog heel wat te doen voor de duisternis invalt.
Malachias (tracht onze storende vrienden buiten te werken): U ziet, iedereen is druk in de weer en u moest maar eens opstappen.
William: En Adelmo… ?
Malachias (kwaad): Die is er niet meer, zoals u beiden ook wel weet. (duwt ze beiden naar de uitgang van de schrijfzaal) Die zaak Adelmo heeft niets met boeken, noch met onze eerbiedwaardige schrijvers te maken. Tot genoegen.

(Adson en William slenteren richting kapel)

Adson: Amai, waarom was hij nu opeens zo kwaad. Eerst één en al vriendelijkheid, maar één woord kan de stemming doen omslaan.
William: Adelmo…
Adson: Precies, zou hij er iets meer van weten ?
William: Niet zo ontstuimig, Adson, hou ook rekening met het verlies van één van z’n verstandigste vertalers, dat voor de bibliothecaris misschien zwaar is om dragen.

(Ondertussen luidt iemand een klok, iedereen van de schrijfzaal doet de boeken toe, neemt z’n missaal en trapt het af, behalve Venantius. Berenger vergeet z’n missaal.)

William: Adson, luister, tijd voor de vespers !

Tweede Scène: Berenger in paniek

Venantius blijft stiekem achter en leest op z’n eentje het verboden boek. Geboeid lezend, zot lachend, af en toe drinkend, en niet te opvallend aan z’n vinger likkend. Na een tijdje valt hij dood op z’n lessenaar.

Venantius

Berenger komt al lopend toe in de leeszaal en neemt buiten adem zijn missaal.

Berenger Ah, hier ligt hij. Ik dacht al dat hij op mijn kamer lag. Een monnik zonder missaal is als een vrouw zonder slagen, als soep zonder zout, als een abdij zonder bier,…
(schrikt bij het zien van Venantius en gaat ernaar toe)
Elaba, Venantius, manneke, ‘t is nu het moment niet om te slapen. Zo ga je je hemel niet verdienen. ‘t Is niet omdat ze in Griekenland een siestaake doen,…
(geeft Venantius een duw, die hierbij plompweg op de grond valt). EEEEEK !
(Paniek in de keet! Berenger wil eerst in volle paniek naar de kapel rennen, maar bedenkt zich 🙂
Berenger: Wacht eens even, als ik hier zomaar wegga en de dood van Venantius moet melden, ben ik verdachte nummer één ! Ik moet iets ondernemen. Dit lijk van Venantius moet kost wat kost verdwijnen. Ik verstop het, maar waar ? ? ?
(Berenger pakt het lijk onder de oksels en sleept het achterwaarts in de bosjes achter de blokhut, beiden rennen naar de putten en het lijk dient nu snel-snel daar tegenover de kapel te worden verstopt en bevuild)

Derde scène: De ontdekking van Venantius

Onderweg van schrijfzaal naar kapel, in de kapel en bij de varkenspoel .

Ondertussen zijn de vespers aan de gang, en gaan de koorleden op het geluid af. Onderweg komen ze een in lompen gekleed meisje tegen dat hout aan het sprokkelen is. Ze heeft een takkenbos op de rug is niet gelukkig. Het wenen staat haar nader dan het lachen , en ze ontwijkt de kinderen in haar zoektocht naar sprokkelhout. De koorleden komen ondertussen in de kapel aan.
In de kapel heeft iedere broeder een kussentje (13 plaatsen), zodanig dat de afwezigen steeds opvallen.
Eventueel zien ze nog net Berenger aankomen. Er zijn 2 plaatsen open, namelijk het kussen van Adelmo en Venantius is leeg.
Een meisje met de takkenbos op de rug, sprokkelt intussen verder hout en ontdekt het lijk met een ijselijke gil. De broeders hebben de gil gehoord, stoppen met zingen en begeven zich in allerijl naar de plaats van de misdaad.

Het lijk wordt wat vrijgelegd en de broeders slaan eerbiedig een kruisteken wanneer ze zien dat het om een dode gaat. De kruidendokter Severin blinkt het lijk wat op en ze herkennen onmiddellijk de Griekse neus van Venantius.

Ontdekking

Broeders: Aaaaaahhhh, Venantius ! Gruwelijk !
(Ook Berenger speelt het spel mee)

Ubertino: Twee doden op twee dagen tijd. Dat kan geen toeval zijn. Voorwaar ik zeg U, de Duivel laat niet met zich spotten, en hij is de ondergang van de wereld aan het voorbereiden. Het staat zelfs in de Bijbel geschreven. In het boek Openbaring worden nog meer doden voorspeld op de meest ondenkbare plaatsen. In de 4 natuurelementen lucht, aarde, water en vuur zal Satan dood en verderf zaaien.
Een moord door de val uit de toren –lucht- en één begraven onder de grond –aarde-, zijn volgens de profetie reeds een feit. Deze twee doden zijn dan ook slechts een voorbode van wat komen zal. Wees op uw hoede en verlaat dit onheilsoord als uw leven u lief is en nu het nog KAN !
Broeders Oh nee, het is in de Bijbel voorspeld, …il diabolo…..de Apocalyps,…we gaan er allemaal aan…, het einde van de wereld,….aaahhh,… We hebben slechts 7 dagen meer te leven,….laat ons die laatste zeven dagen niet verpesten… !

(haastig vertrekken ze allen naar hun vertrekken)

De derde dag

Eerste scène: Onderzoek van het lijk

In de apotheek van de abdij verricht Severin, de kruidendokter de lijkschouwing van het lichaam van Venantius. Terwijl Adson walgend toekijkt voert William een verdachtmakend gesprek met Severin en merkt hij de zwarte vinger op.

Severin Van Sankt Emmeram

William: Dokter, was Venantius al lang dood?
Severin: Wel, hij kan nog niet al te lang dood geweest zijn, want op het moment dat hij gevonden werd, was het vlees nog soepel, en nog een beetje warm. Nu is het lijk een harde, koude klomp vlees.
William: En vindt u een aanwijzing in verband met de doodsoorzaak?
Severin: Ik heb ondertussen het lijk gewassen en onderzocht, en ik vind geen enkele verwonding, geen enkele kneuzing aan het hoofd. Het is alsof hij betoverd is en zo dood gegaan. Het enige vreemde is dat er serieuze schaafwonden op de hielen zitten, met stukjes grind in de wonde. Maar je kan iemand toch niet dood doen aan zijn hielen!
William: Merkwaardig inderdaad… (denkt even na, wandelt rond, en stopt bij kruidenpotjes).
Adson: Wacht! Hij heeft misschien proberen zijn hielen over te snijden… zoals Achilles in de Griekse mythe. Het was tenslotte een Griek.
William: Dat lijkt me wat onwaarschijnlijk, Adson. Het verklaart nog niet waarom er grind in zijn hielen zat.
Maar…Dokter… betoverd, zei u? Als een goddelijke straf?
Severin: Misschien…
William: … of misschien wel door vergif?
Severin (aarzelend) … ook dat is mogelijk…

Autopsie

William: Heeft u hier in uw laboratorium vergif staan?
Severin: Natuurlijk. Een laboratorium zonder vergif is als een bibliotheek zonder boeken.
William: En waarvoor gebruikt u dat vergif dan, als ik vragen mag.
Severin: Wel, er bestaan stoffen die in geringe dosissen genezing kunnen brengen.
William: … maar in grote dosissen?
Adson: … groene bollen op je gezicht toveren!
Severin: Neen! De dood! Valeriaan, bijvoorbeeld. Een paar druppels kalmeert het hart; een overmatige dosis verdooft, of doodt! Of arsenicum. Een dodelijk vergif voor wie dit inslikt, maar zeer kleine hoeveelheden zijn heel goed tegen zenuwaandoeningen.
William: Heb je op het lijk geen sporen van vergif aangetroffen?
Severin: Neen. Zoals ik al zei: het was als een betovering. Maar er zijn soorten vergif die totaal niets van sporen achterlaten!

William: (onderzoekt ondertussen het lijk. Hij vindt de vuile vinger, en zegt luid genoeg) Hmmm hmmm

William: Nog één vraagje dokter. Kenden Venantius, en broeder Adelmo – die eerder reeds de dood vond – elkaar?
Severin Oh ja. Zeer goed zelfs. Ze werkten samen in het scriptorium.
William Dank je wel. Ik weet genoeg. Kom Adson, we zijn weg.

(Als de koorleden uit de apotheek weg zijn, wordt dit omgevormd tot catacomben door Salvatore)

Tweede scène: Een voetafdruk

Op de weg tussen de schrijfzaal en de varkenspoel vinden William en Adson een duidelijke voetafdruk, dieper dan normaal.

William: Kom, Adson. Laat ons nogmaals de plaats waar de dode gevonden is, van naderbij bekijken.

(Ze gaan naar de modderput, en kijken daar wat rond. Onderweg mijmeren ze even over de twee doden)

William: Adson, wat denk je… Twee doden op zo’n korte tijd. Dat kan geen toeval zijn.
Adson: Er is misschien een epidemie?
William: Neen Adson, want het is duidelijk dat broeder Venantius vermoord is. Een ziekte is het dus niet. Overigens, het lijk was verstopt, en wou iemand duidelijk dat het lichaam NIET werd gevonden.
Adson: Dus… u denkt dat Adelmo, zijn vriend, misschien ook vermoord is, en niet zomaar van de abdijmuren is gevallen ?
William: De kans is groot, ja.

(Ze arriveren aan de modderpoel)

William: Adson, we hebben geluk dat het lijk in zoveel modder lag.
Adson: Waarom dan wel, Meester?
William: Omdat, Adson, een moordenaar dikwijls ongewild zijn handtekening achterlaat in de modder.
Adson: Zijn voetsporen!
William: Juist Adson. Laat ons wat rondkijken.
Adson: Hier Meester! Hier staat een afdruk!
William: Goed Adson. Wel… wat leid je af uit deze voetstappen?
Adson: Wel… ze zijn twee keer zo diep als de andere voetstappen…
William: Goed zo. En wat is je conclusie?
Adson: Wel… dat het een zware man was, natuurlijk.
William: Juist… en waarom was hij zwaar?
Adson: Omdat… hij dik was?
William: … of omdat hij de last droeg van een andere man. Laten we de afdruk van deze schoen in het gips gieten.
Adson: Maar Meester… deze voetstappen lopen weg van de modderput, in die richting!
William: Je sluit de mogelijkheid uit dat de man achterwaarts liep en het lichaam meesleepte. Vandaar de diepe hielafdrukken en de sleepsporen!
Adson: Ah! En vandaar ook het grind in de hielen.
William: Juist! Nu, waar ontmoette de vertaler zijn moordenaar?
Adson: Wel… de voetsporen gaan in de richting van de schrijfzaal.

Gipsafdruk maken

Ze maken samen met de koorleden een afgietsel en daarna ze volgen ze de sporen in de richting van de bibliotheek. 

William: Inderdaad. We nemen dus best nog eens een kijkje in die schrijfzaal.
William: Ga jij kijken of de gipsafdruk droog is, en leg het in onze kamer; ik ga naar het scriptorium.

Ter hoogte van de blokhut gaat het tweetal uit elkaar. Het koor volgt Adson.

Derde scène: Penitenziagite!

In de catacomben maakt Adson kennis met een wel lugubere bewonder van de abdij: de bultenaar Salvatore van Monferrato. Naar aanleiding van deze ontmoeting legt William het verschil uit tussen Dolcinieten, die in feite ketters zijn, en Franciscanen.

(Adson en het koor gaan in de richting van de blokhut, die ondertussen tot catacomben zijn herschapen. Adson hoort geritsel vanuit de blokhut en gaat op onderzoek uit. Hij neemt het koor mee en waart er wat rond. Plotseling ontmoet hij Salvatore)

Salvatore Penitenziagite! Penitenziagite!
Kijk uite voor la diabolo qui fait du mal all around die welt! Woehahahaha (vettig lachje)
(pakt Adson vast) Blablabla Apocalypse! La-bas, il diabolo – wèèèèh! (wijst naar de beelden van de Duivel, en doet de Duivel na met zijn lelijke smoel!)
Lelijk like Salvatore, eh? Woehahaha…. Ikke Salvatore!
Mijn kleine broedertje! Penitenziagite!

(William duikt uit het duister op.)

William: Penitenziagite?

(Salvatore schrikt, wordt stil, en kruipt in een hoekje)

William: Je zei Penitenziagite???
Salvatore (ontdaan): No, no, no.
William: Ik heb het duidelijk gehoord, je zei ‘Penitenziagite’!

Salvatore

Salvatore (nederig): Oh… oh… god de zalige… ikke nie mee dolciniti… ikke nu benedictini… ikke fraai! Ikke goed Christen!
William: Vertel nu eens als goed Christen, heb jij niets verdachts gezien in of rond de abdij?
Salvatore: Si, si, …, il passato vele rare dingen ici. Ik zage onlangs nabij de kerkhof twee monniken. Ze wisselden een papiertje. Een dikke monnik die wat zat was en de monnik God hebbe zijn ziele.
Adson: Adelmo, Meester? Adelmo en Berenger wisselden een brief?
Salvatore: Klein, geel briefje. Salvatore goed gezien met klein oogjes. De dode monnik gaf een bierkruik in de plaats.
William: Slimme, maar pijnlijke wissel voor Adelmo.
Salvatore: Ik wil niks mee te maken hebbe. Ik zijn weg. (loopt al brallend weg)

Adson: Meester…. Welke taal sprak hij?
William: Alle talen tegelijk, en ook weer geen.
Adson: En wat was dat woord dat u herhaalde?
William: Penitenziagite.
Adson: Wat betekent dat?
William: Dat de bultenaar, Salvatore, ooit een ketter geweest moet zijn. Het was de strijdkreet van de Dolcinieten.
Adson: Wat waren dat, Meester?
William: Ze geloofden dat Christus arm was.
Adson: Maar de Franciscanen toch ook?
William: Maar iedereen moest volgens hen arm zijn, dus vermoordden ze de rijken. Met name de bisschoppen, de hoge pieten van de Kerk, zelfs de Paus was voor hen niet veilig. Verstaanbaar, want al deze kerels verzuipen momenteel in het goud en de rijkdom.
Adson: Is het dan niet mogelijk dat hij de vertaler Venantius heeft vermoord?
William: Nee, dikke bisschoppen en rijke priesters waren eerder hun slachtoffers. Maar geen Griekse vertalers.

De vierde dag

Eerste scène

William en Adson besluiten nogmaals de schrijfzaal een bezoekje te brengen. Vooral de schrijftafels van beide vermoorde, en bovendien bevriende broeders dienen aan een onderzoek onderworpen te worden. Jorge laat merken dat hij er letterlijk niet mee kan lachen en Berenger verstoort tot tweemaal toe het onderzoek. Er zijn twee lege plaatsen, die van Adelmo en Venantius.

William (tegen Adson): Kom nog eens mee naar de schrijfzaal. Daar valt nog wat te zien.

(Ze gaan naar de schrijfzaal. Berenger loopt rond met boeken. Malachias trekt de bib-deur zorgvuldig dicht wanneer William en Adson de zaal betreden.)

William Dag broeder bibliothecaris.
Staat u ons toe het werk in te zien van de twee vermoorde broeders ?
Malachias Uw verzoek is nogal raar.
William De omstandigheden waarin dat ze gestorven zijn, zijn anders ook nogal raar, nietwaar ?
Malachias Allee, ‘t is goed (met tegenzin wijst hij de plaatsen. De ogen van Berenger volgen iedere stap die ze zetten). Broeder Adelmo zat daar.

(William zet zijn lenzen op)
Vertaler (wijst naar William, en doorbreekt de normaal zo doordringende stilte met een luide roep) Glazen ogen op een vorkje !
William (bestudeert de miniaturen) Interessant. Dit zijn zeer grappige teksten. Hij had gevoel voor humor ! En wat een grappig en vreemd kleur van inkt.
Malachias Ja, broeder Adelmo mengde zijn eigen inkt. Alleen hij gebruikte dit unieke blauw.

(Een muis loopt rond in de zaal. Berenger schrikt « eeek, een muis !» , springt op een stoel en gilt. Iedereen in de bibliotheek lacht. Plots komt een woedende Jorge binnen en slaat met z’n stok iets kapot)

Jorge Een monnik lacht niet ! Alleen dwazen lachen !
Ik hoop dat mijn woorden u niet kwaad maken, broeder William, maar er werd hier gelachen om lachwekkende zaken. Jullie, Franciscanen, staan nogal toegeeflijk tegenover vrolijkheid.
William Juist. Sint-Franciscus lachte al graag een keer.
Jorge De lach is een duivelse wind die het gelaat misvormt en mensen er doet uitzien als apen.
William Maar allez ! Een aap lacht toch niet ! Lachen is volgens mij typisch menselijk !
Jorge Fout ! De zonde is typisch menselijk !
Christus lachte nooit ! Het staat nergens in de Bijbel dat Jezus gelachen heeft.
William Er staat ook niet in de Bijbel dat hij niet gelachen heeft.
Jorge Heiligen lachen niet !
William En toch… Aristoteles heeft gezegd in een boek, namelijk de Komedie, dat lachen een manier is om de waarheid te vertellen.
Jorge Heeft u dat boek gelezen ?
William Tuurlijk niet ! De Komedie is al honderden jaren onvindbaar.
Jorge Neen ! Het is nooit geschreven, verdorie !
God wil niet dat er grappen verteld worden. Alleen ketters vertellen grappen.
William Ma ar dat is toch niet waar ! Af en toe een grapje kan toch geen kwaad.
Jorge Genoeg ! Stop het ! Onze gemeenschap en de abdij heeft zo al genoeg problemen met zondaars en ketters, en u komt er dan nog eens mee lachen !
William Vergeef me Jorge. Ik had dat allemaal niet mogen zeggen.

(Jorge verlaat de zaal. William vraagt waar de Griek zat. Malachias wijst hem de tafel, maar Berenger wil daar een stokje voor steken door zijn boeken op de tafel te smijten).

William Broeder Malachias, waar zat de Griekse vertaler Venantius ook al weer ?
Berenger Hier zat hij ! (en smijt z’n boeken op tafel)
(William kijkt even bedenkelijk en gaat dan weg)

William Kom, Adson.

(Ze plannen om naar buiten te gaan, maar komen eerst nog voorbij het geheime deurtje. Malachias staat op afstand en William en Adson praten onder elkaar)

William Wel Adson, wat ben je te weten gekomen ?
Adson Dat je hier niet mag lachen.
William Valt het je niet op dat er hier zo weinig boeken zijn ? Al die schrijvers, kopieerders, vertalers, denkers, onderzoekers, … Waar halen ze al hun boeken die ze dienen te bestuderen en waar deze abdij bovendien dan ook zo beroemd voor is ?
(Even stilte) Waar zijn de boeken ?
Adson Stelt u mij nu eigenlijk op de proef ?
William Waarom ?
Adson Ewel eu… met alle respect, maar ik heb de indruk dat iedere keer als u mij een vraag stelt, u het antwoord al weet. Weet u misschien waar de boeken zijn ?
William Neen Adson… ik weet het niet. Maar ik verwed mijn geloof erom dat er achter dit deurtje meer zit dan alleen maar lucht.
Adson Ja… het viel me op dat de bibliothecaris het deurtje zeer zorgvuldig gesloten heeft toen we binnenkwamen.
William Broeder Malachias ! Broeder Malachias ! Mogen wij een kijkje nemen achter deze deur ?
Malachias Neen. Daarvoor heeft u de toestemming van de abt nodig, en die heeft u naar mijn weten niet gekregen. Enkel ik en mijn hulpbibliothecaris Berenger hebben toegang.

(William en Adson gaan ontdaan naar buiten)

Tweede Scène

Salvatore bevindt zich met de rotsen rond te toren en is verdekt en gekapt opgesteld, klaar om straks de steen naar onze vrienden te werpen. William en Adson wandelen al hypothesen formulerend naar het afvalluik. Daar zorgt Remigio voor het openen van de sluis, bindt hij de kommel vast en gooit hij groenten doorheen de sluis naar de armen. William en Adson passeren aan het afvalluik. De boertjes en boerinnetjes vechten om het eten en steken het in jutenzakken)
William Kijk Adson, voedselbedelingen voor de armen. De rijke abdij toont zich weer van zijn gulste kant.
Adson Maar Meester. Het is toch hier dat broeder Adelmo, de eerste dode, gevonden is ? Kan hij niet door die sluis naar beneden gesmeten zijn ?
William Slim gezien, Adson. Laten we beneden een kijkje nemen.

(Eens al het eten uitgegooid is mag Remigio zich wat verwijderen)

(Ze onderzoeken de grond, en ontdekken een bloedspoor)

William Kijk Adson. Een bloedspoor. Laten we eens kijken waarheen het leidt.

(Ze volgen het bloedspoor. Ondertussen maakt Adson oogcontact met het meisje)

William Adson ! Het bloedspoor loopt tussen het afvalluik en de toren. Maar we weten dat hij niet van de toren kan gesprongen zijn, aangezien de vensters in de toren niet geopend kunnen worden. Adson ? Luister je ?
Adson … (keek naar het meisje) euh jaja… euh… de toren is het niet.
William Dus ? Hij werd door de sluis gesmeten, was nog niet helemaal dood, en heeft zich proberen voort te slepen in de richting van de toren, waar hij de dood vond. Op zijn weg van de sluis naar de toren heeft hij een bloedspoor getrokken.

(Ze wandelen onder een houten gebindte)

Adson Dus hij werd door de sluis gegooid, en…

(Een steen wordt door een gekapte Salvatore naar beneden gesmeten, gemikt op William)

Adson … PAS OP MEESTER !

(William kan net op tijd opzij springen. Salvatore maakt zich uit de voeten. Adson achtervolgt de dader, krijgt hem te pakken, en merkt dat het Salvatore is. Adson sleurt hem mee naar William en de kinderen. Remigio holt naar hen toe, om Salvatore te verdedigen. Remigio geeft Salvatore een klap, en Salvatore spuwt in het gezicht van William. Remigio verdedigt Salvatore heel nederig)

Adson Meester ! Het is Salvatore, de bultenaar, hij trachte ons te vermoorden !
Remigio Alstublieft, vertel de abt niet over zijn verleden. Hij is onschuldig aan die moorden. Dat zweer ik bij God de Almachtige Vader.
William Broeder Remigio. Ik zal zwijgen, maar… als wederdienst wil ik toegang tot de schrijfzaal op een ogenblik dat niemand anders aanwezig is. Ik weet dat jij als cellarius van deze abdij, de sleutels van alle vertrekken en kamers in dit klooster hebt, dus ook van de schrijfzaal.

(De dolle bende gaat naar de bib, en neemt plaats voor de schrijfzaal vooraleer William, Adson en Remigio aankomen)

DERDE SCÈNE
In de schrijzaal is Berenger alleen aan het lezen in het verboden boek. Opnieuw lachend, drinkend en onopvallend aan de vinger likkend. Opgeschrikt door het geluid van ons duo blaast hij de kaars uit en verstopt hij zich.

Remigio (nederig) Asjeblief, Broeder William, op dit moment is er normaal niemand in de schrijfzaal. Ik laat jullie alleen en wens jullie nog veel succes met jullie zoektocht.
William Haaa ! ! ! De ganse schrijfzaal voor ons alleen. Nu hebben we de kans om alles te onderzoeken wat we willen .

(Eerst en vooral onderzoeken ze de deur naar de bibliotheek, duwen ertegen en krijgen ze niet open)

William Hier, de geheimzinnige deur ! Geen slot en geen klink. Net wat ik dacht : ze is van binnen vergrendeld.
Adson Hoe komen we dan binnen ?
William Er moet een andere ingang zijn, het kan niet anders. Hierachter zou zich wel eens de oplossing van deze raadselachtige abdij en z’n bewoners kunnen bevinden.

(Ze gaan in de richting van de tafel van Venantius)

William We gaan nog eens kijken naar de tafel van de Griekse vertaler, Venantius, want gisteren gooide de hulpbibliothecaris daar zijn boeken op, en konden we niet zien wat hij te verbergen had.

(Ze komen aan de tafel. William kijkt wat er op de tafel ligt, en vindt een geel blaadje met een blauwe verfvlek en hierover een tekst bestaande uit  )

William Mmmmmm, kleine Griekse lettertjes. Ik kan er niets uit opmaken.

(William bestudeert alles met zijn lenzen. Hij legt de lenzen op het boek. Hij ruikt aan het blaadje en glimlacht. Hij houdt het boven een kaars, en lacht, want daar verschijnen symbolen. )

William Aha ! Geschreven met citroensap !
Vreemde tekens…Sagittarius, Zon, Mercurius, Zon… Geheimschrift met de tekens van de planeten en sterrenbeelden :

(Op het moment dat William en Adson het boek nader bekijken, zorgt Berenger voor een afleidingsmaneuver. William laat z’n lenzen op het boek liggen en samen met Adson gaan hij op het geluid af.Onderussen slaagt Berenger erin de tafel van Venantius te bereiken en vlucht hij weg met het boek én de lenzen…)

William Mijn lenzen !
Adson ! Jij gaat die kant op, ik deze kant.

(William en Adson gaan er zogezegde achteraan maar raken het spoor bijster)
(Berenger komt ondertussen aangelopen en vertelt over wat hij heeft gedaan en z’n voornemen een bad te nemen.)

Berenger (met kruik in handen – buiten ademen duidelijk in de war) Ik heb zo’n hevige krampen in mijn buik. Ik ben naar de apotheek geweest achter deze kruik lindebladeren. Daar heb ik het verboden boek van Aristoteles veilig weggestoken. Oeie ! ‘k Heb nu nog die lenzen mee die uit dat boek zijn gevallen. (Hij steekt ze weg) Nu ga ik een zalig bad nemen met linde. Dat helpt de pijn te verzachten.

De vijfde dag

Eerste scène

Opschudding tijdens de vespers: opnieuw is een lijk gevonden, deze keer in het badhuis. De lenzen worden teruggevonden, alsook wordt de schoenzool vergeleken.

(De monniken zitten in de kapel de vespers te zingen. Berengers plaats is open. Iedereen – in het bijzonder William en Adson – zitten te kijken naar de open plaats. Tijdens de volgende dialoog dient men zachter te zingen.)

Adson Meester, Meester… De plaats van broeder Berenger is open. Misschien is er hem iets overkomen? Misschien vinden we hem wel in water?
William In water? Hoe bedoel je?
Adson Wel… Toen we Venantius in de modder vonden, vertelde Ubertino over de vier natuurelementen: de eerste dode was gevallen uit de lucht, de tweede lag in de aarde, en de derde en de vierde zouden volgens de voorspelling in het water en in het vuur gevonden worden.
William Maar Adson… die theorieën geloof je toch niet?

Tweede scène

De vespers zijn afgelopen. De monniken begeven zich in de richting van de schrijfzaal en de toren. Severin gaat naar de badplaats. Plots hoort men een kreet uit de richting van de badplaats. Broeder Severin komt even later op het tweetal afgelopen, en wenkt hen mee te komen.
Ze komen bij de badkuip, vinden de kruik met lindebladeren en broeder Berenger dood in bad. William vindt zijn bril terug

William Mijn bril! Broeder Severin, heeft u het Griekse boek teruggevonden waar deze bril tussen zat?
Severin Grieks boek? Deze glazen lagen gewoon naast het bad op de grond.

(Adson raapt de schoenen naast de badkuip op en geeft ze aan William)

Adson Meester! Deze voetafdruk komt me bekend voor.

(Adson haalt de gipsafdruk uit zijn draagtas en vergelijkt ze)

William Het is dezelfde afdruk als die die we in de modder gevonden hebben! De handtekening van de moordenaar, ik had gelijk!
Adson Evenals de theorie met de natuurelementen! Het slachtoffer bevindt zich in water.
William Maar hoe kan deze persoon nu tegelijk én moordenaar, én slachtoffer zijn?

(Abonne en Jorge komen op het tweetal afgelopen)

Abonne Broeder William, we moeten dringend praten.
William Inderdaad.
En IK heb veel te vertellen als we dit lijk onderzocht hebben.
Abonne Ik wacht u op in de kapel, waar ik nogmaals mijn gebeden zal richten tot de Almachtige in de hoop dat het mysterie waarin deze abdij gehuld is, gauw mag opgelost worden.

(Abonne trapt het af, net als Jorge, en Severin begint de autopsie)

William en Adson wonen de autopsie van Berenger bij in de badzaal met Severin. Zij zullen nu niet alleen de zwarte vinger opmerken, maar ook de zwarte tong.

Severin Tja, een bad met lindebladeren verlicht de pijn. Blijkbaar had Berenger nood aan rust en ontspanning en dacht hij de pijn weg te nemen door een lindebad.
William (bekijkt de vinger met de vlek) Hij was linkshandig?!
Severin Inderdaad.
William Waren er nog meer broeders linkshandig?
Severin Niet dat ik weet. Het was de enige monnik die met links schreef.
William (toont de bevlekte vinger aan Severin)
Severin Ah… inktvlekken van het schrijven. Zo zag u dat hij linkshandig was.
William (trekt mond open en toont bevlekte tong) Hij schreef toch niet met zijn tong, veronderstel ik?

(Severin trekt raar gezicht)

DERDE SCÈNE
De abt Abonne en William zijn het oneens over de ware toedracht van de moorden. Het bezwarende bewijsstuk van het moordende boek zal worden verbrand en William wordt van het onderzoek gezet. De zaak zal worden overgelaten aan de Heilige Inquisitie !

(William en Adson gaan naar de kapel, waar zij abt Abonne ontmoeten. William toont het perkamentje aan de abt)

William Mijn beste abt, wat denkt u hiervan ?
Abonne Gewoon, een paar zinnen Grieks.
William Ja, geschreven door Venantius.
Aantekeningen uit het boek dat hij las vlak voor hij stierf. Ziet u hoe het geschrift verandert? Hij was stervende! En wat vindt u van deze blauwe plek?
Abonne Een blauwe verfvlek, zonder twijfel.
William Juist, maar wel een unieke kleur, die alleen door broeder Adelmo werd gemengd en gebruikt, die het vel dus bezat voor Venantius.
Abonne Hoe weet u dat?
William Omdat de Griekse vertaler Venantius over de blauwe vlekken heen geschreven heeft. Dus Adelmo had het voor Venantius, en niet andersom.
Abonne Broeder William, deze abdij is gehuld in een vreselijk mysterie. In uw rare uitleg zie ik niets dat enige opheldering biedt voor dit raadsel. Waar wilt u heen?
William Adson, geef eens die kaars.

(William houdt het blaadje boven de kaars. De letters komen tevoorschijn.)

William Iemand deed veel moeite om een groot geheim te verbergen.
De schrijver van dit geheimschrift was linkshandig, en iedereen weet dat broeder Berenger de enige linkshandige broeder in uw Gemeenschap is – of beter gezegd, was. (even stilte)
Tot wat voor geheime kennis had hij dan toegang, denkt u?
Abonne Zonder twijfel gaat u dit mij vertellen.

William Boeken! Verboden boeken. Spiritueel gevaarlijke boeken uit de bibliotheek!
Ik zal eens zeggen hoe de vork aan de steel zit. Iedereen kende broeder Berengers passie voor bier, wijn en spirituele drank. Daar hij zijn werk niet meer naar behoren verrichtte, werd Berenger door u een drankverbod opgelegd. De hulpbibliothecaris verlangde echter hevig naar alcohol, en had voor een kruik bier uit de bottelarij alles over.
Op een nacht vond een ruil plaats tussen Adelmo en Berenger. Adelmo gaf Berenger een kruik uit de bottelarij, en kreeg in ruil dit perkament, dat Adelmo toegang gaf tot de geheime bibliotheek.
Abonne Hoe weet u dat?
William Er was een getuige! De bultenaar Salvatore zag de ruil. Hij heeft het ons verteld toen we hem in de catacomben tegen het lijf liepen.
Op een nacht werd Adelmo uit het afvalluik gegooid – en niet uit de toren, zoals u veronderstelde. Hij was echter nog niet volledig dood, en versleepte zich naar de voet van de toren, waar hij stierf.
Hij werd met andere woorden vermoord, vermoedelijk omdat hij teveel wist. Iemand had hem namelijk de toegang tot de bibliotheek verklapt en dat was niet naar de zin van z’n moordenaar. Ondertussen had hij echter al het perkament doorgegeven aan de Griekse vertaler Venantius.
Venantius vond dankzij het perkament het verboden boek, en nam het mee naar zijn bureau in het scriptorium. Hij begon het te lezen, begon aantekeningen te maken, en stierf, met een zwarte vlek op de vinger. De hulpbibliothecaris vond hem en sleepte hem naar de modderpoel om argwaan te vermijden. Maar hij liet daar zijn voetafdruk achter.
Het boek lag nog op de lessenaar. Berenger ging er gisteren heen en las het. Kort daarna, gekweld door hevige pijnen nam hij een kalmerend lindenbad en verdronk. Ook hij had een zwarte vinger.
Alle drie stierven ze vanwege een boek. Een boek dat doodt. Daarmee vraag ik u met aandrang om mij toegang te geven tot de bibliotheek!

(Jorge komt uit de verte afgestapt, met Malachias)

Jorge Broeder William! Uw trots verblindt u. Door uw gedweep met de rede faalt u te zien wat voor anderen zo duidelijk is (‘je peist te vele’): het einde met de vier natuurelementen is aangebroken.
Malachias (tegen Abonne) De pauselijke delegatie is onderweg, met “Bernardo Gui.” (William en Adson houden de adem in en slikken)
Abonne (denkt even – ondertussen verbrandt hij het briefje) Broeder William, ik dank u voor de moeite, maar u heeft mij niet overtuigd. Ik moet u nu vragen om van verder onderzoek af te zien. Ik heb de inquisitie gevraagd zich met de zaak bezig te houden. Inquisiteur Bernardo Gui, die ervaring heeft met het opsporen van de listen van het Kwaad, zal zich over het mysterie ontfermen.
William Vader Abonne, alstublieft…
Abonne Neen. Mijn besluit staat vast.
 

De zesde dag

Eerste scène

Korte voorstelling van het labyrint om namiddagspel te kunnen spelen.
Via de aantekeningen van Berenger verschaffen William en Adson zich een toegang tot de bibliotheek. Deze blijkt een schat aan boeken te bevatten, maar ons tweetal ziet in al zijn enthousiasme nog niet dat de bibliotheek in feite een verraderlijk labyrinth is.

(Achterin de kapel staat een altaar versierd met doodskoppen.)

William Adson, dat geel perkament met dat geheimschrift…(zwaait met z’n geel blaadje)
Adson Maar Meester, dat perkament heeft de abt toch gisteren verbrand ? Hoe kom je daar nu aan ?
William Tja, een goed onderzoeker kopieert steeds eerst z’n bewijsmateriaal, voor hij ermee naar iemand anders stapt.
Dus…ik heb vannacht eens goed liggen nadenken, en ik denk dat die symbolen elk staan voor een cijfer,…en kijk eens naar die doodshoofden en die ogen hierop… (uitleg)
Adson Dus, hierachter in de kapel, zouden we een altaar met doodshoofden moeten vinden ?
William Precies, Adson. Laat ons in deze nis hierachter binnengaan.
Adson Een angstaanjagend altaar als je het mij vraagt. ‘t lijkt meer een graftombe. (Adson loopt rond het altaar en steunt achteraan tegen de tafel)
William Volgens de aantekeningen van Berenger, moet ik met m’n vinger in het eerste oog van de tweede schedel drukken, in het tweede oog van de derde schedel, en dan nog eens m’n vinger in de mond van de vierde schedel,… tiens, er gebeurt niets….
Adson Misschien moet je alles wel tegelijk doen.
William Huh, en ik heb maar 2 handen ! Wacht. (William doet z’n sandaal uit en duwt met z’n grote teen in de mond van de vierde schedel)

(Het altaar schuift weg, Adson tuimelt achter de tafel, William krijgt het altaar tegen zich en valt ook. Adson praat echoënd ):

Adson Meester, er is hier een trap die leidt naar een onderaardse gang (ang-ang-ang). Je moet eens komen kijken (ijken-ijken-ijken). Meester ? (eester-eester-eester)
William Aaah ! Als je nog eens een altaar verschuift, zeg het dan van tevoren hé !
Adson Amai, der hangen hier overal kobbenetten ! (etten-etten-etten)

(William en Adson dalen zogezegd de trap af. Dieter wenkt de kinderen, want de verborgen gang leidt naar de bibliotheek !
William en Adson, in de bibliotheek aangekomen doen een vreugdedansje in de bibliotheek en lopen wat euforisch rond.)

William Hoooh, Ik wist het ! Adson, Ik wist het !

(William en Adson snuffelen hysterisch door alle boeken.)

William Adson, besef je dat we in één van de beroemdste bibliotheken van de Christelijke wereld zijn. Whoeeeeeaaaajiepie ! Kom !

(Ze gaan naar de onderste verdieping en snuffelen nog wat rond.)

Adson Hoe vinden we dat verboden boek nu, waar volgens U de bladzijden zijn vergiftigd ?
William Alles op zijn tijd, mijn jongen, alles op zijn tijd…..(is nog geil van de boeken) Amai, de Beatus van Liebana : dat is een meesterwerk, Adson. En dit hier ook ! Amai, hoeveel kamers en hoeveel boeken zijn er nog ?

(William gaat alleen naar beneden in een andere ruimte en Adson blijft ter plekke)

William Zonde, deze boeken en de kennis die ze bevatten zouden toegankelijk moeten zijn voor iedereen !
Adson Misschien zijn ze te kostbaar en te kwetsbaar, daarom zijn ze misschien goed opgeborgen.

(Adson gaat naar boven)

William Neen, dat is het niet, het gaat hier vaak om verboden boeken. Boeken die ons kunnen doen twijfelen aan de woorden van God. Boeken, geschreven door mensen die de Kerk als ketters beschouwt.

(Adson beseft opeens dat hij zijn Meester kwijt is.)

Adson Meester ?
William (praat gewoon verder) En als de mensen beginnen twijfelen, dan geloven ze niet meer, niet meer in God althans.
Adson Meester ? Wacht op mij !

(Adson loopt wat rond, en maakt dat hij William niet tegen komt. En William maakt dat hij Adson niet tegenkomt, verschuilt zich achter de doeken met boeken op gelijkvloers en roept wat terug)

William Ik wacht toch op je. Ik ben hier beneden.
Adson (Loopt naar beneden) Maar ik ben beneden !
Adson (crosst nog wat rond) Ah nee… ik ben verloren gelopen !
William Deze bibliotheek lijkt wel een echt doolhof, een labyrint !

Wie weet de oplossing om uit het doolhof te raken? Een lantaarn ? , een kompas ? en wat als ze honger beginnen te krijgen ? ….
Speluitleg door Leen.

Tweede scène

Voor het avondspel. William en Adson bevinden nog steeds in het labyrint. Nu met lantaarns/fakkels weliswaar. Wanneer ze elkaar uit het oog verliezen en dreigen te verdwalen in het netwerk van gangen, dient William zijn verstand (en Adson zijn sweater) te gebruiken om uit dit doolhof te raken. Eens beiden weer samen schrikt Adson van een spiegel en weet een valluik nog even de pret te bederven.

Adson Meester, ik heb hier net een fakkel gevonden.
William Ik ook, maar het is het enige wat ik deze namiddag, al dolend door dit labyrint hier, gevonden heb.
Adson Maar hoe komen we hier uit !
William Met wat moeite..(stilletjes)of helemaal niet. Weet je wat, Adson, sla een boek open en begin te lezen, dan hoor ik voortdurend wat je zegt en…
Adson Huh, We zijn hier helemaal verloren gelopen en die zegt nu dat ik moet beginnen boeken lezen. Zo vind je toch de weg niet terug. Meester William denkt ook alles met boeken te kunnen oplossen. Weet je wat, ik bind hier het uiteinde van m’n pij aan, zodanig dat ik toch eventueel terug kan gaan vanwaar ik kom. (Adson bindt de wol vast aan het houten gebinte)
William …iedere keer als je een kamer verlaat, sla dan linksaf.
Adson (leest om het even welk boek en loopt wat rond)

(practisch : Adson ziet William met z’n fakkel op ooghoogte, Adson bevindt zich in de andere toren dan die met de spiegel en het valluik, zodanig dat Adson na de lantaarnscène naar het verdiep van William kan toegaan en de schrik-valscène zich daar kan afspelen)

Adson (schrikt, en schrikt zich een bultenaar, bang als een wezel vervolgt hij z’n dialoog.) Meester, Ik zie een fakkel
William Blijf waar je bent.
Adson Ik zie een man. Hij staat stil.
William Wat doet hij ?
Adson Hij heft zijn fakkel op.
William Hoeveel keer ? (William doet drie keer omhoog)
Adson Drie keer.
William ‘t Is ik. Hef je fakkel op.

(Adson komt naar William’s verdiep, maar schrikt zich een tweede bultenaar door een spiegel).

Adson Meester, we zijn hier niet alleen. Kijk daar !
William Jij dommerik, het is een spiegel !

(William stapt naar de spiegel, maar stapt ook in het valluik, trekt aan een tafelpoot en de boeken vallen door het luik. Adson kan nog net William vastgrijpen.)

William Red de boeken, Adson !
Adson Maar ik doe alles om u te redden !

(Met de hulp van Adson klautert William moeizaam uit het luik)

William Een doolhof, een valluik, een spiegel, dat vervloekte labyrinth geeft z’n geheimen niet graag prijs ! (begint na te denken) Maar hoe geraak je uit een labyrinth….je neemt telkens rechts, en op de kamers waar je geweest bent zet je een stip, en dan neem je links,…
Adson (Wil z’n touwtje tonen)
Meester !
William Ssssst. Adson, Ik ben aan het nadenken. Dus…je zet dan in de kamers waar je al geweest bent een tweede stip….of een derde…
Adson Ei Meester !
William Maar, Adson, je moet nu niet inzitten met je kleed,… (Merkt het touwtje op) maar ja, inderdaad, je bent nog zo dom niet als je eruit ziet. Kom, …

Derde scène

De aandacht van de kinderen wordt getrokken door de trommels van de Inquisitie. De kar staat al klaar in de nabijheid van de toren en wordt vergezelfd van drie ridders (trekken, duwen, trommelaar en/of fakkeldrager). De kinderen moeten naar de toren, terwijl de kar hen tegemoet komt van kapel.

Ridder Maak allen plaats voor de Pauselijke koets met de inquisiteur Bernardo Gui van Avignon!

(Plechtstatig komt Bernardo uit z’n koets.De ridder van voor houdt de kar tegen. Abonne kust hem en verwelkomt op een zeemzoeterige manier de inquisiteur Bernardo Gui.)

Abonne Welkom, Bernardo Gui uit de pauselijke stad Avignon. U bent geen moment te vroeg gekomen. Ik keek werkelijk verlangend uit naar uw komst. De spanning in de abdij is om te snijden en de angst heeft ons allen in haar macht.
Bernardo Heb geen angst m’n Broeder. Wij van de Inquisitie zijn speciaal opgeleid om duistere krachten en ketterse gebruiken onverwijld op te sporen en de kop in te drukken. Het onkruid, dat onze weelderige kerkelijke tuin ontsiert, dient met wortel en al uitgeroeid te worden, op WELKE manier dan ook en ZONDER medelijden.
(Ondertussen halen de ridders de marteltuigen uit de remorque)
Ik brand dan ook van verlangen om het mysterie dat in deze abdij al dagen heerst te ontsluieren. Maar dit kan niet zonder uw hulp, Heer abt. Dus laat ons geen tijd verliezen en vertel mij uw verhaal.
Abonne U zult wel een vermoeiende reis gehad hebben. Wilt u niet eerst even wat uitrusten ?
Bernardo Absoluut niet. Mijn werk begint nu en zal niet ophouden voor ik de ware dader bij zijn kap heb gevat en hen jammerend het vuur aan de schenen heb gelegd.
Abonne Goed. Ik zal u alles vertellen. Laat mij je eerst de weg naar je kamer tonen.

(Abonne leidt Bernardo naar zijn kamer. De huifkar met marteltuigen mag gerust in de buurt blijven staan. De kinderen blijven zitten.)

Vierde scène

Salvatore, de helper van Remigio, doet het afvalluik weer open en we zien dat het meisje op die manier de abdij weet binnen te dringen. Hij voert een heidens ritueel uit om de gunsten van het meisje voor zich te winnen.

Meisje (fluistert beneden) Salvatore..Salvatore…Heb jij soms nog wat eten voor me. Remigio, je baas, heeft vandaag weer vergeten het keukenafval door de sluis te gooien. En ik heb zo’n honger.
Salvatore Aha, meisje van Remigio, sisi, ikke nog veel eten hebben voor mooie meisjes zoals jij. Vienne, rapido, vienne (wenkt met z’n arm)
Meisje Dank u Salvatore, ik kom onmiddellijk. (klimt op bovenste verdiep)
Salvatore (heeft een appel in de hand en doet alsof hij hem geeft, maar op het moment dat het meisje de appel wil grijpen, werpt hij hem omhoog en vangt hij hem zelf op, de sloeber !)
Geen appel, zonder kusje, héhéhéhéhé (Salvatore wijst veelbetekenend naar z’n puistige kaak).
Meisje (trekt een afkeurend gezicht)
Salvatore (draait zich om)
Meisje (na een poosje tikt ze toch op z’n schouder en geeft hem een vluchtige zoen)
Salvatore (is in de wolken en geniet) Woooooaaaaaaw ! Jij de appel krijgen, maareuh…, ikke er meer willen, jij wel verliefd op mij worden, wachte maar,… (geeft de appel en begint met z’n ritueel)
Meisje (eet de appel op in een hoekje)
Salvatore Amore, amore femina, meisje, ikke verliefd op meisje, ikke haar betoveren met mijn schoon oogsjes…(hij kijkt verleidelijk scheel en richt zich naar de kat in de kooi) Hé, poesje, poesje, hé, jij mij graag zien hé, maar meisje nog niet. Straks…. (doet verder met z’n ritueel, en biedt de eieren aan het meisje aan om erop te spuwen)
Salvatore Meisje, jij nog sputa na die eikes, sputa, kom, sputa,….
Meisje (spuugt in z’n ogen)
Salvatore Weah, bedankt hé (en duwt van colère de kaars om in het haardje, waardoor brand ontstaat)

De monniken (alleszins de abt Abonne,een aantal monniken om te blussen, Bernardo, de ridders) worden door de uitslaande brand gealarmeerd. Uit de bewijsstukken besluit Bernardo Gui de ketters, verantwoordelijk voor al het onheil, te hebben gevonden en slaat het meisje en Salvatore in de ijzers.

(Monniken blussen in paniek het vuur)

Bernardo Kijk eens wat we hier hebben. Ridders, fouileer haar en bindt ze vast !
(De ridders arresteren haar en houden haar goed vast, terwijl ze de ziel uit haar lijf schreeuwt.)
Bernardo En sla die bultenaar in de kettingen en het folterblok!
(De ridders doen wat hun opgedragen wordt en brengen alle attributen aan)
Bernardo (declamerend) Eerwaarde abt, u hebt mij uitgenodigd om uw abdij te onderzoeken op de aanwezigheid van het Kwade en ik heb het nu al gevonden.
Hoe vaak heb ik deze duivelse attributen nu al gezien ? De zwarte kat, het omgekeerde kruis :alles wijst op een duivels ritueel ! ! ! !
Abt Ik wist het, ik voelde dat de Duivel in persoon hiermee gemoeid was. Maar dat hij Salvatore uitkoos om via hem zijn plannen met deze abdij uit te voeren, had ik niet verwacht. Daarenboven had hij gedurende al die tijd zonder mijn medeweten heimelijk contact met zo’n armoedzaaier. Ongehoord !
Bernardo Maar kijk, Eerwaarde Abt, hoe komt het dat U dit niet eerder hebt opgemerkt. Dit zijn onweerlegbare bewijzen : een heks die omgang heeft met een zwarte kat, een verleide monnik en ketterse praktijken.
Morgen, wanneer de haan voor de eerste keer kraait, onderzoeken we of dit voorval verband houdt met het mysterie dat uw abdij al dagenlang teistert.
Ridders, sluit ze beiden op, zodanig dat we vannacht veilig kunnen slapen ! (en de ridders doen dit dan ook)

De zevende dag

‘s Morgens van 8u00 tot 8u30.

Eerste scène:    Aan de Toren, waarin het Meisje en Salvatore worden gemarteld en tot bekentenissen worden gedwongen.

Tweede scène:   Aan de Toren, waarin William en Adson de gebeurtenissen van gisteren bespreken en William de inquisiteur Bernardo Gui ontmoet. Samen met de abt Abonne worden de voorbereidselen van het tribunaal getroffen. Adson komt terloops melden dat het boek terecht is. Het ligt in de apotheek!

Derde scène:     Aan de Apotheek, waarin William en Adson nog juist een verdachte figuur met het boek zien wegrennen (een gekapte Malachias). + nog eerste scène volgende dag met de klaagzang van Ubertino en oproep tot boetedoening?  (maw. Kort of lang toneel?)

Eerste scène

Martelscène Salvatore ter hoogte van de toren.

Het meisje hangt half verdoofd aan de toren. Salvatore ligt op tafel in zijn folterblok met gezicht naar de gasten, met rinkelende kettingen aan z’n voeten.
Een monnik zit als griffier aan een tafeltje met boek en ganzeveer, en schrijft naarstig op wat er gezegd wordt.De ridders en Bernardo Gui amuseren zich te pletter.
In een vuurhaardje zijn de kolen reeds roodgloeiend.

Bernardo Kom, laten we dit vlug afhandelen. Het meisje heeft al bekend dat ze haar gunsten aanbood aan deze ketterse bultenaar. Haar honger naar liefde en affectie is haar fataal geworden.
(meisje snikt en beeft van schrik)
Meisje Gewoon honger ja, niets meer en niets minder ! Als je als ons, arme stakkers, moet leven van het afval dat de abdij hier dagelijks naar buiten gooit, zou je alles doen om aan fatsoenlijk eten te geraken. Gierigaards !
Bernardo Meisje, je bent een heks, en je weet het maar al te goed ! Je verdient niets meer dan het afval van deze abdij. Het voeden van ketterse monden zoals de jouwe, geeft de Duivel vrij spel. En is mijn taak om het verbond dat jullie als heksengebroed met de Duivel hebben gesloten te verbreken.
Bernardo Ridders, je weet wat jullie te doen staat.

(De ridders wakkeren het vuur wat aan en halen de roodgloeiende staaf eruit, Bij het zien van de staaf begint Salvatore als een bezetene aan het blok te trekken en te schreeuwen)

Salvatore No, no, nooooo ! ! !
Bernardo (cynisch) Broeder Salvatore, deze martelingen doen voor mij evenveel pijn als voor u. Maar je kunt er gemakkelijk een einde aan maken, door uw ziel te openen en te zeggen wat er op je hart ligt. Onderzoek de diepten van je ziel. Zoek !
Salvatore Maar ik zoek, ik zoek ! Maar ikke zitte hier vaste in deze blokke, ikke niet helder kunnen denken. Ikke geen bloed naar mijn hoofd krijge.
Bernardo Ridders, maak deze armoedzaaier los. Als hij denkt beter te kunnen nadenken zonder vast te zitten, is dat voor ons slechts een kleine moeite (fijn lachje). Griffier, maak je klaar de bekentenis van je leven op te schrijven.
(De ridders maken hem los, maar houden hem vast aan z’n riemen via de kommel)
Bernardo En… begint het al wat te komen ? Of moeten je kettingen ook nog los ?
Salvatore Ik zoek, ik probere na te denken, almachtige…
(Salvatore kruipt over de grond en kust de voeten en het kleed van Bernardo)
Salvatore Senior, Tu bellisimo,… (kus-kus-kus) Ik zoek toch…
Bernardo Vertel me dan eens, wie van de broeders is de ketter die al deze moorden op zijn geweten heeft. Of we zullen je met deze staaf je geheugen wat opfrissen, zodanig dat je vindt wat je zoekt.
Salvatore Ik niks weten, ik niets vinden, helemaal niets.
Bernardo Ridders… !
(De ridders steken hem in het blok : een ridder trekt z’n kleed omhoog en de andere steekt de ijzeren staaf onder z’n pij. Salvatore krijst het uit)
Salvatore Me stupido, stupido, stupido, ne savez nada, ik niets weten, ….
Bernardo Ridders, breng ze beiden weg naar de kerkers ! Hij kan het daar gaan zoeken !
(De ridders pakken de twee veroordeelden mee, en gaan af. Bernardo blijft ter plaatse)

Tweede scène

De voorbereidselen voor de het tribunaal van morgen waarin het meisje en Salvatore zullen worden berecht worden getroffen.Tijdens het gesprek over de jury (worden uiteindelijk Abonne en William) wordt William door Adson op de hoogte gebracht dat de kruidendokter het boek heeft gevonden.

(Bernardo gaat naar de griffier-monnik en overloopt in stilte wat er is geschreven. Ondertussen komen William en Adson op de proppen. Ze hebben ondertussen de ridders en de veroordeelden tegengekomen)

Adson Meester William, Ik heb het gevoel dat er tijdens ons bezoek naar de bibliotheek heel wat is gebeurd.
William Ja, de inquisitie laat er geen gras over groeien. De twee verdachten die gisteren bij de brand werden opgepakt, zijn al door die man daar (wijst naar Bernardo) letterlijk op de rooster gelegd.
Adson Gemarteld ? Mijn…euh… dat meisje daar ? Waarom doet hij dat, ze hebben toch niets verkeerds gedaan ?
William Je moet weten dat die man daar, Bernardo Gui, voor niets terugdeinst. Hij is een meedogenloos man, die alle folterpraktijken aanwendt om zijn slachtoffers tot bekentenissen te dwingen. Iedereen is er als de dood voor.
We moeten nu werkelijk snel gaan handelen voor die twee op de brandstapel terecht komen. Want daar ziet het wel naar uit als ik Bernardo een beetje ken. Ik ga er eens alleen naartoe, Adson, loop jij maar alvast naar de kapel.

(William stapt op Bernardo af, Adson naar kapel)

Bernardo Ha, William, mijn voorganger in het onderzoek. Ik heb van de abt gehoord dat het u niet gelukt is de moorden op te lossen.
William We zitten dicht bij de waarheid.
Bernardo Inderdaad, ik heb net twee duidelijke bekentenissen laten optekenen. Overigens, de bewijzen dat die heks en die bultenaar onder één hoedje speelden zijn er. Nu moeten ze nog alleen veroordeeld worden. En daarvoor heb ik uw hulp nodig.
William Mijn hulp ? Bent u er zeker van dat u het bij het rechte eind heeft. Volgens mij zult u de oplossing niet in deze martelkamer vinden, maar eerder in de bibliotheek. Bent u als eens nagegaan waarom Salvatore al die moorden zou hebben gepleegd ?
Bernardo Zoals ik van de Eerwaarde abt Abonne gehoord heb, bent u zelf het slachtoffer geweest van een aanslag, met name door Salvatore !
William Maar dat doet hier niets ter zake. Dit voorval heeft niets met de andere moorden te maken. Zoals ik al aan de abt Abonne heb uitgelegd is een verboden boek de oorzaak van dit alles.
(Abonne komt toegesneld)
Abonne Hoorde ik hier ergens mijn naam vallen ? Eerwaarde Bernardo, luister niet naar William, ik heb hem van het onderzoek ontslagen. Alleen uw oordeel over deze zaak telt nu en geen boekenhistories.
Bernardo Maar een boek? En waar is dat zogezegd moordende boek dan? Z’n volgende moord aan het voorbereiden? Maak je jezelf niet belachelijk, William ?
William En het gele perkament dat ik op de lessenaar van Venantius vond ?
Abonne Welk perkament ? Ik weet niet wat je bedoelt.
(William is zichtbaar aangeslagen en bijt op z’n tong)

(Adson komt buiten adem en opgewonden toegesneld en wenkt William )
William Excuseer mij even. (gaat naar Adson)
Adson Meester, het boek is terecht ! Ik hoorde net van Severin dat hij een Grieks boek in z’n kast heeft gevonden, achter z’n kruidendrankjes. Iemand moet het daar in de vlucht hebben verborgen.
William Maar natuurlijk. Berenger, op het moment dat hij de lindebladeren voor z’n bad ging halen ! Adson, knoop het goed in je oren, zeg tegen de apotheker dat hij zich in groot gevaar bevindt en zichzelf en het boek opsluit. Ik kom zodra ik kan !
Adson In orde, Meester (snelt weg en komt even later terug naar de scène)

Bernardo Ach William, je dwaalt. Dus, zoals ik al zei, ik heb morgen tijdens de rechtszaak jullie hulp nodig. Om mijn beide verdachten terecht te stellen, dient de uitspraak nog eens door een jury bekrachtigd te worden. Willen jullie als juryleden in het tribunaal zetelen ?
William Ik heb weinig keus, zeker.
Abonne (snel) Uw wens is ons gebod, Heer Bernardo. De abdij heeft er alle belang bij dat dit mysterie wordt opgelost en de rust onder mijn kudde terugkeert. U kunt op ons rekenen.

(het gehele zootje gaat af, William trappelt van ongeduld om naar de apotheek toe te gaan)

William Kom, Adson, de oplossing wacht op ons in de apotheek. Berenger heeft wel goed z’n best gedaan om het te verbergen.
Adson Maar wie is dan de moordenaar ?
William Dat zullen we nu algauw te weten komen

Derde scène

William en Adson trekken met de kinderen zo snel mogelijk naar de apotheek, waar ze nog net een verdachte figuur (een gekapte Malachias) met het boek uit de blokhut zien wegrennen. William en Adson zetten de achtervolging in.

 

De achtste dag

‘s Avonds na de barbecue, als aanzet tot het kampvuur.

 

Eerste scène     In de apotheek,  waarin ze een vermoorde Severin aantreffen met een bloedende hoofdwonde. Bernardo heeft ondertussen een vluchtende Remigio kunnen vatten en heeft hem spartelend mee in de apotheek. Als afsluiter heft Ubertino een klaagzang aan en roept hij op tot boetedoening. De boetetocht kan aanvatten.

Tweede scène:   In het Tribunaal, waarin tijdens de rechtszaak niet alleen Salvatore en het Meisje berecht worden, maar ook Remigio. Onder « zachte » dwang bekent hij zijn ware ketterse aard, en draait hij willens nillens voor de moorden op.

Bij het vallen van het verdict in de rechtszaak blijken de abt Abonne en William een verschillende mening toebedeeld. Bernardo Gui doet er een schepje bovenop door William zelf van ketterij te beschuldigen. William gaat morgen mee naar Avignon, waar hij door de hoge Kerkelijke Rechtbank zal worden ondervraagd. Wanneer de monikken met de veroordeelden naar de kapel vertrekken om hen te laten biechten, blijft Adson nog even achter om de kinderen op te roepen de onschuld van William te helpen bewijzen.

Tweede scène:   In de Kapel, waarin Salvatore, Remigio en het Meisje de kans krijgen om te biechten. Malachias komt tijdens de gezangen later toe, en valt na vijf akkoorden theatraal neer. William en Adson die door hebben dat het dodende boek zich in de bibliotheek moet bevinden vluchten langs het altaar zogezegd naar de bibliotheek. Bernardo en z’n ridders komen te laat om ons tweetal te onderscheppen. Ze trekken dan maar processiegewijs naar de brandstapels.

Derde scène:     Aan de Brandstapels, waarin de veroordeelden nog eens de kand krijgen de Duivel af te zweren. Als Bernardo de brandstapel van het Meisje wil aansteken, komt Adson aangelopen en doet hij (zoals eerder gevraagd) beroep op de koorleden om Bernardo en z’n ridders weg te jagen. Nadien leidt Adson de kinderen naar de echte moordenaar, namelijk Jorge in z’n geheime vertrek in de bibliotheek.

Vierde scène:     In de Kampvuurkring, waarin William via de spiegel al de toegang tot de het geheime vertrek van Jorge heeft gevonden. Jorge probeert William en Adson te vergiftigen door ze te laten lezen in het boek, maar dit plan mislukt. Jorge vlucht met het boek, komt weer ‘in beeld’ en eet de bladzijden met smaak op. Wanneer William en Adson uiteindelijk Jorge willen vatten, werpt hij het boek naar onze vrienden, een fakkel komt ongelukkig neer en  de ganse bibliotheek gaat in de vlammen op, ook Jorge.

De negende dag

‘s Namiddags, vooraleer de kinderen op de bus stappen (om 14u45 of vroeger ?).

Eerste scène:    Bij Brandstapels, waarin William en Adson voorbij de brandstapels komen die nog liggen na te smeulen (toneeltje dan iets vroeger, voor opkuis?) en tot hun verbazing zien dat 1 stapel niet is ontvlamd. Bernardo Guy en de ridders waren gisterenavond zo onder de indruk van het volksgeweld dat ze het dus weldegelijk zijn afgetrapt. Met andere woorden, primo: William is weer een vrij man, hij hoeft niet mee naar Avignon! En secundo: Het Meisje is dus niet verbrand!

En inderdaad, onderweg naar de barriere komen ze ook nog het mysterieuze Meisje tegen.

Tweede scène:   Aan de Barriere, waar William en Adson (samen met de koorleden)afscheid nemen van de abt Abonne en hem danken voor zijn gastvrijheid.